Verhaal

Midwinterhoornblazen, een eeuwenoude Twentse traditie

In de cultuurgeschiedenis werd, pakweg tot aan de Tweede Wereldoorlog, het midwinterhoornblazen een eeuwenoude Twentse traditie uit de duistere oudheid genoemd. Het zou te maken hebben gehad met het bijgeloof en de angst van de primitieve mens voor de duisternis. Angst voor de onzichtbare boze geesten waarvan men dacht dat ze de verwachte groei in het komende voorjaar zouden laten mislukken.

Deze kwade geesten moesten bang gemaakt worden om ze op de vlucht te laten slaan. Men zocht, en vond, “muziek”- of “lawaai”-instrumenten met een sterk volume en een zo “geestelijk” mogelijke klank. Dit kent men ook bij het primitieve zingen zoals het nasale, het alleen met kopstem of alleen met borststem zingen, het jodelen. Men dacht aldus een taal gevonden te hebben die door de kwade geesten verstaan kon worden. Vergelijken we hiermee het “brommende” begrafenisgezang van de Tibetaanse monniken en het opgedreven schelle zingen van Spaanse zigeuners dan voelen we onmiskenbaar een verwantschap.

Boze geesten

Als we aan de bijgelovige gedachtewereld van onze voorouders denken, dan verwondert het ons niet dat voor hen zoveel boze geesten bestaan hebben. Immers, niet alleen de natuurverschijnselen als onweer, regen en wind, maar ook tal van andere verschijnselen, zoals mysterieus aandoende geluiden en beelden in het nachtelijke donker, waren aanleiding er het werk van geesten in te zien. We denken hier aan: huilende wind in de schoorsteen, knappende takken van boom of struik, rammelende kettingen van het vee in de stal, krakende sneeuw onder onverwachte voetstappen en de donkere silhouetten van jeneverbesstruiken op de heide. Het kan allemaal beklemmend en zelfs luguber geweest zijn en, niet te vergeten, de stilte rond de boerderij in het eveneens eindeloze stille landschap kan angstaanjagend geweest zijn.

Geheimzinnig en melancholiek

Terug naar de midwinterhoorn. Het thema dat gespeeld, beter, geblazen wordt, klinkt onmiskenbaar geheimzinnig en melancholiek, maar als we ons voorstellen dat in het onmetelijke moeras- en heidelandschap de eenzame boer in deze verlatenheid behoefte voelde aan communicatie, de hoorn pakte en de tonen liet klinken naar een verre buurman en we denken aan de verbinding, die we gelegd hebben met de boze geesten, dan is deze melancholie wel begrijpelijk. 


Het zo verworven beeld uit de oudheid kunnen we nog enigszins ondergaan in deze uithoek van Twente omstreeks Kerstmis, ‘s avonds als het donker wordt. Als dan over de akkers van de Ageleres of Nutteres het geluid van de midwinterhoorn tot ons doordringt, dan is er toch wéér iets merkwaardigs en dat is de grote afstand waarover het geluid hoorbaar is. Midwinterhoornblazer Herman Bekhuis zegt hierover: “De hardbevroren bodem, open veld, en windstil weer zijn zeer bevorderlijk hiervoor; de invloed van de put waarboven geblazen wordt lijkt mij gering.” Evenwel, anderen zijn er stellig van overtuigd dat juist boven de put geblazen moet worden omdat de waterspiegel dan als klankbord fungeert waardoor de roep zo ver weg klinkt.

roelandslied

Reeds in de Middeleeuwen waren bijzondere muziekinstrumenten als de midwinterhoorn bekend; bijvoorbeeld “De Roelandshoorn” uit het Roelandslied. Op deze Roelandshoorn werd door een neef van Karel de Grote een noodsignaal geblazen toen hij in een oorlog tegen de Saracenen gewond raakte. Op een afstand van 30 mijl drong dit geluid tot Karel de Grote door. Deze hoorn, een z.g. olifantshoorn, een jachthoorn en als zodanig verwant aan de midwinterhoorn, hangt nu nog in de St. Vitus kathedraal te Praag.
De vertaling van het oorspronkelijk in het Frans gestelde Roelandslied uit het jaar 1080 luidt als volgt:
     Terwijl hij de hoorn aan de mond zet, de graaf
     hij zet hem stevig aan en laat hem met grote kracht klinken.
     De bergen zijn hoog, waarlangs het geluid zich voortplant.
     Op 30 mijl afstand hoort men het weerklinken.
     Elkeen hoort hem, Karel en iedereen.

Verwantschap

In een oud psalmenboek, begin 8ste eeuw, kan men bij psalm 150 een illustratie zien van instrumenten die volkomen gelijk zijn aan de midwinterhoorn. Overeenkomsten vertonen ook blaasinstrumenten uit ver weg gelegen gebieden, zoals de z.g. dung in Tibet, de buri in Mongolië, de schelptrompetten op Madagaskar en de ranasrnaga in India. Evenals de alpenhoorn in Zwitserland, de hyrdelüren in Scandinavië, de sjofar in Israël en tenslotte de begrafenistrompet in Congo. Dit neemt niet weg dat de midwinterhoorn gewoon ergens zelfstandig kan zijn ontstaan en niet meer dan alleen qua vorm gelijkenis vertoont met genoemde instrumenten. Wel kan de slagtand of  de hoorn van een dier de oervorm zijn geweest. In het gebruik valt ook enige verwantschap waar te nemen met eerder genoemde instrumenten. De midwinterhoorn wordt geblazen in de maand december bij het verdwijnen van het oude- en de komst van het nieuwe jaar. Zowel de ranasrnaga en de alpenhoorn klinken bij zonsondergang. De schelptrompetten op Madagaskar en de Kongolese begrafenistrompetten worden geblazen bij het sterven van de mens. Al deze instrumenten hebben dit gemeen: Angst van de primitieve mens voor de duisternis en de geesten van de duisternis die in het donker toeslaan om het komende leven te vernietigen. Zoals eerder gezegd; men zocht een “taal” die door kwade geesten verstaan kon worden. Men probeerde met hen in contact te komen om aldus het eigen lot gunstig te beïnvloeden. Onderzoekers kennen aan het ons zo bekende oude gebruik in toenemende mate een status toe die teruggaat tot eind 15e eeuw. Het wordt gezien als aankondiging van de geboorte van het Kerstkind. Het midwinterhoornblazen vindt dan ook uitsluitend plaats tijdens de Advent en de zogenaamde “Twaalfnachten”, dat wil zeggen vanaf de vierde zondag vóór het Kerstfeest en vanaf Kerstmis t/m Driekoningen (6 jan.).

De bouw

De midwinterhoorn wordt veelal gemaakt van wilgenhout. Gezocht wordt een stam met een doorsnee van ongeveer 15 cm met reeds een natuurlijke kromming. De lengte is ca. 1,25 m. De stam wordt gedroogd en dan zo bewerkt dat bij het mondstuk de diameter 4 à 5 cm bedraagt en conisch toeloopt tot de oorspronkelijke omvang aan het andere eind. In de lengterichting doorgezaagd, worden de twee helften zodanig uitgegutst dat een wanddikte van ca. 2 cm overblijft. De 2 helften worden tegen elkaar geklemd met houten banden. Als mondstuk wordt vlierhout gebruikt, waaruit de zachte kern  verwijderd is en zodanig is bewerkt dat deze in de opening van de hoorn past. Het blazen is niet eenvoudig: de hoge tonen vergen uiteraard meer lipspanning en minder lucht. Het omgekeerde geldt voor de lage tonen.


Klank

Volgens onderzoekers is het thema in al die eeuwen waarschijnlijk onveranderd gebleven. De klank bestaat uit een gebroken grote drieklank en wel als stijgend en dalend kwart-sextaccoord, op het hoogtepunt een toevoeging van een grote secunde en tenslotte eindigend op de grondtoon. Vanwege de bijtonen een onmiskenbaar majeurkarakter en dat terwijl Bach en Rameau, dé grondleggers van majeur en mineur,  nog geboren moesten worden. Tussen de verschillende inzetten komen soms lange rusten, die dan een duidelijk gevoel van spanning of ontspanning veroorzaken. Overigens, ook in onze eigentijdse muzikale expressie zijn dit elementen van betekenis.

 

Chris Velthuis

 

Bron: Velthuis, Chris, Midwinterhoornblazen, Jaarboek 2005, 23e Jaargang, Vereniging Heemkunde Ootmarsum en omstreken

Reacties