Verhaal

Het ontstaan van steden en de gemeente Ootmarsum

Auteur: 
Mr. M.J.A. van Kerkhoff

Nu in bestuurlijk Nederland overal de gedachte “groot is beter” opgang doet, zijn of worden dientengevolge vele gemeenten opgeheven door samenvoeging. Deze golf heeft thans ook Twente bereikt, waardoor o.a. Ootmarsum zijn zelfstandigheid als gemeente dreigt te verliezen. Daarom is het wellicht nuttig in een korte beschouwing uiteen te zetten, hoe de staatkundige ontwikkeling is geweest van Nederland via gewesten, graafschappen en het bisdom Utrecht met daarin de steden en de gemeenten.

Het ontstaan van steden

Reeds vanouds waren er in de lage landen Keltische nederzettingen op strategische punten zoals aan een rivier, bij een oversteekplaats bijv. Noviomagus (Nijmegen), Lugdunum, Batavodurum; later Romeinse vestingen (onder militair gezag) en Frankische steden, zoals Nijmegen, Maastricht, Utrecht, Wijk bij Duurstede (Dorestad), Tiel en Deventer. Deze plaatsen waren centra van gezag en handel. De oudste hiervan, Nijmegen, is ontstaan vanuit de nederzetting van de Bataven (Kopse Hof), de latere Romeinse legerplaats op en nabij de Sterreschans, en vervolgens ten westen van de Frankische koningsburcht van Karel de Grote op het Valkhof. Deze stad stond onder rechtstreeks bestuur van de keizer en diens burggraaf.

Evenzo deelde Utrecht in het immuniteitsprivilege van de bisschop en stond onder diens gezag. Reeds vroeg sloeg deze er munt.

De bewoners genoten soms voorrechten, maar deze privileges op zich verleenden aan de steden nog geen eigen rechtskarakter. De geprivilegieerde gemeenschap was nog geen stad in juridische zin. Het gezag behoorde nog aan de heer van het gebied. Van diens wil was het recht afhankelijk, diens ambtenaren oefenden bestuur en rechtspraak uit.

In de Middeleeuwen veranderde de situatie. Naar gelang een plaats zich economisch ontwikkelde, dan wel verdienstelijk was voor de landsheer, verleende de landsheer (soms de keizer zelf) in een stadsbrief (of bij handvest of manifest) aan een plaats stadsrecht. Eerst daardoor ontstond de stad in juridische zin. Dit begon veelal met het verlenen van het recht om een jaarmarkt te mogen houden en later eventuele andere rechten, zoals het recht van zegel, munt en tol. Op het territoir en rechtsgebied van de stad/plaats ontwikkelde zich de stad als rechtspersoon met eigen overheidsgezag. Zij werd rechtsbevoegd, kon eigen bezittingen hebben, met eigen financiën, stadswallen, grachten en poorten. Zij werd een eigen rechtspersoon, in haar naam en voor haar rekening konden bestuurders rechten verwerven en verplichtingen aangaan. Een stad vormde een immuniteit, een zelfstandig centrum met eigen bestuur, eigen rechtspraak en eigen rechters; de stedelingen kozen indirect hun eigen bestuurders.

In de dertiende eeuw won de mening veld, dat stadslucht vrij behoort te maken, waarbij ongestoorde bewoning gedurende meer dan een jaar (jaar en dag) binnen het stadsgebied de bewoner vrij maakte van de heer, indien deze hem in die tijd niet had opgevorderd. De stad werd daarmee vrijgebied.

Dit gold echter niet in Twente. Indien aan een stad bij afzonderlijk privilege het recht van keur (= eigen wetgeving) verleend was, kon die stad op eigen gezag eigen rechtsregels en stedelijke verordeningen vaststellen. Deze werden gehandhaafd door het college van schout en schepenen. Het hoger gezag werd in de steden niet ontkend, doch bleef naast het stedelijk gezag geëerbiedigd en werd vaak bevestigd door een eed van trouw.

Stedenfiliaties

Voor 1200 waren er reeds twaalf min of meer formeel erkende steden, doch in de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw werd dit met resp. 62, 67 en 40 uitgebreid. De inhoud van verschillende handvesten en keuren vertoonde dikwijls gelijkenis en op grond van kennelijke nauwe verwantschap heeft men de steden in groepen ingedeeld. Deze gelijkenis had diverse oorzaken.

De heer koos bij het verlenen van privileges en stadsrechten veelal dezelfde vorm; de meeste stadsrechten zijn successievelijk verleend op verzoek van de burgers zelf, waarbij de keuren van een oudere stad veelal werden overgenomen, indien deze deugdelijk waren gebleken. Zo ontstonden zogenaamde moedersteden en dochtersteden, waarbij de dochterstad op haar beurt haar recht kon doorgeven aan andere steden, waarvan ze dan moeder werd. Zo zijn er filiaties aan te wijzen. Ten aanzien van Ootmarsum en Oldenzaal was Deventer de moederstad (zie het kaartje van filiaties). De oudste stadsbrieven en keuren zijn dikwijls verloren gegaan en daarom werden stadsrechten later vaak bevestigd. Mede hierdoor en omdat deze stukken vaak zeer beknopt waren is het niet altijd mogelijk daaruit de verwantschap vast te stellen. Dit kan echter wel worden afgeleid uit de hoofdvaart of hofvaart (te hoofde gaan) van de ene stad op een andere, wier keur het model voor de hare was geweest. Dit hield in dat de magistraat van de ene stad, gesteld voor moeilijke beslissingen, bij twijfel inlichtingen of advies ging vragen bij die van een andere stad (meestal de moederstad).

Hieruit ontstond veelal een hoger beroep op de rechter van die andere stad.

Evenals het geval was in Oldenzaal, is de oudste oorkonde, waarbij aan Ootmarsum stedelijke rechten werden toegekend door de bisschop van Utrecht, verloren gegaan. Waarschijnlijk is die toekenning geschied omstreeks 1250.

Latere stadsbrieven bevatten geen nieuwe rechtsbepalingen, doch houden slechts een bevestiging in van de reeds eerder verkregen voorrechten. Het oudste stuk uit het Archief van Ootmarsum is de in het jaar 1314 in het Latijn op perkament geschreven brief, waarin Bisschop Guydo van Henegouwen aan de stad het recht tot het houden van een week- en jaarmarkt gaf en tevens het wigboldrecht, dat het reeds van ouds had, bevestigde. Onder wigboldrecht wordt verstaan het rechtsgebied van een stad.

In 1325 werden de eerder verleende stadsrechten bevestigd door Bisschop Johan van Diest. In het boekje ‘Stadsrecht van Ootmarsum’1, staan nog andere privilegebrieven genoemd, waaronder het charter waarbij Bisschop Floris van Wevelichhoven de stad het Humbroick gaf: dit is het recht om de stad tot vesting te maken en vestingwerken en singelgraven aan te leggen.

Gemeenten en gemeentelijke indeling

Het woord gemeente, in de staatkundige betekenis van kleinste eenheid van territoriaal openbaar zelfbestuur, is een vertaling van het Franse woord “commune”. Ook als begrip is dit van Franse herkomst. De plaatselijke gemeenschap kende vanouds reeds belangengemeenschappen ter behartiging van de gemeenschappelijke plaatselijke belangen; de oudste voorbeelden van dergelijke organisaties zijn marken en waterschappen. Later ontstonden via kerkelijke organisatie ook kerspels. Daarnaast bestond een van bovenaf ingestelde indeling in gouwen of andere rechtskringen, zoals schoutambten of ambachten, met aan het hoofd een schout of baljuw. In het Oosten kende men drostambten met aan het hoofd een drost. Deze beambten spraken niet zelf recht, maar spanden de bank, vorderden recht en zorgden voor uitvoering der vonnissen. Zoals vermeld ontstonden later door verlening van stadsrechten steden, met eigen jurisdictie.

Onder Franse invloed begint in 1795 een overgangsperiode en doet het begrip gemeente zijn entree en geleidelijk wordt de indeling in staten en gemeenten vervangen door de Franse indeling in departementen en gemeenten, waarna zoals voormeld in 1811 de Franse wetgeving van toepassing wordt, met invoering van kadaster en grondbelasting. Hoe vreemd dit ook lijkt: deze grondbelasting heeft toen voor een belangrijk deel de indeling en omvang van de gemeenten bepaald. Naarmate men meer onroerend goed bezat en de waarde daarvan hoger was, moest meer grondbelasting worden betaald. Dat betekende dat de boeren het merendeel zouden moeten betalen. Dit gaf problemen want de boeren wensten niet voor de stad mee te betalen. Destijds hadden alleen de steden een eigen bestuur, politie, brandweer, straatverlichting en geplaveide straten en dat kostte geld. De stedelingen woonden meestal dicht op elkaar, binnen de wallen. Deswege werd onderscheid gemaakt tussen steden en platteland en werden de steden teruggedrongen tot een klein territoir en kleine stadsgemeente, welke slechts de stad en het wigboldsgebied omvatte. Met het overige, daaromheen gelegen, landelijk gebied werden nieuwe gemeenten gevormd, waarbij spoedshalve en vrij willekeurig enige marken bijeen werden gevoegd. Zo ontstonden Zwolle en Zwollerkerspel, Stad Almelo en Ambt Almelo, Stad Delden en Ambt Delden, Enschede en Lonneker, Oldenzaal met daaromheen Losser en Weerselo.

Gemeente Ootmarsum

Inzake Ootmarsum geschiedde de verkleining in twee etappes. Eerst werd in 1811 een agrarisch gebied afgesplitst en daarmee de gemeente Tubbergen gevormd. De gemeente Denekamp bestond toen nog niet. De gemeente Ootmarsum omvatte toen nog het gebied van de latere gemeente Denekamp. Eerst in 1818 volgde een verdere aantasting en werd de gemeente Denekamp, waaronder de marken Nutter en Agelo, gevormd en afgesplitst, waardoor de stadsgemeente Ootmarsum werd teruggebracht tot het vroegere stadswigbold en omringd werd door de gemeente Denekamp. Dit werd pas effectief per 1 januari 1819. De Ootmarsumse notaris en griffier van het Vredegerecht te Ootmarsum, Hieronymus Pennink Hzn. werd op hoge leeftijd benoemd tot eerste schout (dit is burgemeester, doch alleen de eerste burger van de stadsgemeente Ootmarsum werd aangeduid met burgemeester en de eerste burgers van de gemeenten Denekamp en Tubbergen aanvankelijk met schout) van de nieuwe gemeente Denekamp, doch hij bleef wonen in Ootmarsum, waar ook het gemeentebureau bleef.

Hij overleed op 4 juli 1830, ruim tachtig jaar oud2. Zijn zoon Hendrik Jan Pennink was in 1827 toegevoegd aan zijn vader als assistent en vervanger en oefende sindsdien feitelijk diens burgemeestersfunctie uit. Na het overlijden van zijn vader werd hij gedurende drie maanden waarnemend burgemeester, waarna in het najaar van 1830 de 25-jarige Mr. Johannes Thouars Roessingh Udink, die sinds kort woonde op het Huis Singraven, benoemd werd tot burgemeester en secretaris van de gemeente Denekamp.

Hiermee kreeg Denekamp, zoals H. Boink in ‘t Onderschoer 1980-4 schrijft, eigenlijk pas zijn “eigen” burgemeester. Merkwaardig is dat de marke Beuningen (dicht bij Denekamp) was en bleef ingedeeld bij de gemeente Losser, terwijl indeling bij de eerst later ontstane gemeente Denekamp logischer zou zijn geweest. De gemeenten Denekamp en Tubbergen bleven wel vallen onder het toenmalige kanton Ootmarsum, derhalve onder het Vredegerecht en later Kantongerecht van Ootmarsum. Voor de kadastrale registratie en het vervaardigen van de kadastrale kaarten was het na de afsplitsing van de gemeente Denekamp van de gemeente Ootmarsum nodig de grenzen tussen deze beide gemeenten vast te stellen. Op vrijdag 19 januari 1827 vond de grensaanduiding en vaststelling plaats door de burgemeesters J.W. Essink van Ootmarsum en H. Pennink Hzn. van Denekamp met de landmeter van het kadaster en aanwijzers. Het daarvan opgemaakte procesverbaal is op 22 februari 1827 goedgekeurd door de Gouverneur van de Provincie Overijssel, zie hierover uitgebreider H.J. Eweg in “De grens van Ootmarsum” in het Jaarboekje 1993. Daarna werd begonnen met de kadastrale opmetingen. Volgens H. Boink in zijn gemeld artikel begonnen deze opmetingen in het Kanton Ootmarsum pas eind augustus 1830 (wellicht in Denekamp).

Diverse nieuwe gemeenten hadden geen eigen centrum, zoals bijv. de gemeente Ambt Delden, die uit een bundeling van enige marken en gehuchten bestond. Een paar decennia geleden leverde het nog problemen op, waar het gemeentehuis moest komen.

De gemeente Lonneker omvatte ook Glane, Glanerbrug, Usselo en Boekelo en lag rondom de stadsgemeente Enschede (gelegen binnen de latere singels). Toen de bevolking van Enschede voornamelijk door de textielindustrie enorm toenam, werd de gemeente Lonneker op 1 mei 1934 opgeheven en samengevoegd bij Enschede. Het gemeentehuis van Lonneker lag centraal binnen de stadsgemeente Enschede aan de Hengelosestraat tegenover het belastinggebouw en de Prinsessetunnel. Het gemeentewapen van Lonneker siert nog steeds de voorgevel van dit pand.

De gemeenten Oldenzaal en Hengelo zijn inmiddels diverse malen vergroot ten koste van de gemeente Losser en Weerselo.

De gemeente Ootmarsum heeft diverse malen gestreefd naar gebiedsuitbreiding, doch telkens als dit leek te gaan lukken, kwam er een kink in de kabel en ging dit niet door, behoudens een geringe uitbreiding in de laatste jaren. Nog steeds bestaat de kromme situatie dat de parochie Ootmarsum veel groter is dan de gemeente Ootmarsum en dat inwoners van de gemeente Denekamp en zelfs van de gemeente Tubbergen (uit Agelo, Nutter en Hezinge) behoren tot de parochie en gemeenschap Ootmarsum en aldaar winkelen, kerken en naar school gaan. In ‘t Inschrien van juli 1994 schrijft C.C.M. Hamers “De gemeente Denekamp zou misschien ook Ambt Ootmarsum geheten kunnen hebben?”

Voorheen nam het provinciaal bestuur nauwelijks enig initiatief om een herindeling van gemeenten te bevorderen, dan wel ontbrak het aan politieke moed, want zelfs de samenvoeging van Stad en Ambt Delden tot een gemeente werd niet doorgezet. Thans is de situatie geheel anders en is vooral in het Noorden en Zuiden van Nederland herindeling en samenvoeging van gemeenten opgelegd, vrijwel zonder – en ondanks – inspraak van de burgers van de opgeheven gemeenten. Het maatschappelijk bestel is zo ingewikkeld geworden en er wordt zoveel geregeld dat in kleinere gemeenten veelal de vereiste capaciteit ontbreekt en derhalve samenwerking geboden is. In het recente verleden zijn de meningen en beslissingen daarover echter herhaaldelijk gewijzigd: eerst uitbreiding van het instituut van gemeenschappelijke samenwerkingsregelingen, vervolgens zou Twente een eigen (pre)gewest worden en later weer miniprovincie. Daarvan is nu geen sprake meer en zal het herindeling worden, waarbij het de bedoeling is dat diverse gemeenten, waaronder Denekamp, Ootmarsum en Weerselo, worden samengevoegd. De tijd zal het leren of dit een verstandige keuze is geweest, in het belang van de bestuurbaarheid van de stad en het welzijn van de inwoners.

Een uitgebreide studie van Mr. M.J.A. van Kerkhoff over dit onderwerp kunt u vinden in de bibliotheek van de heemkunde met als titel: Een stukje geschiedenis over het ontstaan van Provincie, Stad en Gemeente.

1 Uitgave Stichting Heemkunde Ootmarsum en Omstreken, 1980.

2 Hierbij rectificeer ik dus wat ik schreef in de Heemkunde-uitgave “Vredegerecht Ootmarsum 1811–1838” omtrent het tijdstip van de vorming van de gemeente Denekamp 1811, dit moet zijn 1818; alsmede de overlijdensdatum van H. Pennink Hzn. In 1885 stierf niet H. Pennink Hzn, doch zijn zoon H.J. Pennink.

Reacties