Verhaal

"Héé, die rare jongen daar!" De school van meester Vogelzang in Ootmarsum

Auteur: 
Gerhard Broekhuis

Mijn eerste meester keek scheel. Vanachter een dun gouden brilletje loenste hij achterdochtig naar het groepje zevenjarige jongetjes dat hem schuchter was gevolgd in de nieuwe, onbekende school aan de Denekamperstraat te Ootmarsum. De grote school.

Meester Bernard O.O. (zo zal ik hem maar noemen) was een schoolmeester van het onaangename type, waarvan ik er later nog meer zou tegenkomen. 's Morgens was hij met de bus naar Ootmarsum gekomen en op de korte wandeling van de bushalte naar de school volgden wij hem de eerste dagen. Zonder vreugde, maar wel met ontzag, want zelfs de dorpsschoolmeester was in die dagen een van God gegeven grootheid, wiens gezag misschien twijfelachtig maar altijd onomstreden was, althans in onze kinderogen. We zouden hem nooit iets kwalijk nemen.

Diepste drijfveer voor al zijn doen en laten leek wel zijn weerzin tegen alles wat tegenover hem in de bankjes zat: zijn hoogste doel dat rapaille tam te houden. Het leek me geen man die veel plezier had in zijn vak, of het moest al zijn dat het pesten en jennen van ons kleine kereltjes hem genoegen deed. Misschien ook dat onze onwetendheid en ons onbegrip hem irriteerden. Dat komt vaker voor. Een vleug sadisme was hem in ieder geval niet vreemd, want dagelijks werden de ondeugende jongetjes door hem getuchtigd doordat hij zijn duim krachtig in hun nekspiertjes zette, waardoor het onderhavige ventje, krimpend kapseisde en langzaam onder zijn schoolbankje (van de firma Eltink uit Wychen) verdween. De onhebbelijke grijns die de man daarbij vertoonde, is me altijd bijgebleven. Als baken in zee, zogezegd.
Maar goed, het was aan de hand van deze meester Bernard, onvolledig bevoegd onderwijzer uit Oldenzaal, dat wij, zevenjarige ventjes, timide en geïmponeerd, de grote school betraden, het rijk van meester Vogelzang.

Zomer 1945

Van de vele pedagogen met wie ieder van ons wel eens te kampen heeft gehad op zijn weg naar volwassenheid, moet Hugo L.Vogelzang, hoofd der R.K. Jongensschool (1944 -1963) op menig Ootmarsumse jongeling uit die jaren een verpletterende indruk hebben gemaakt. Dat begon al wanneer ‘s morgens zijn massieve gestalte in het tuinhekje van zijn riante dienstwoning verscheen en hij vervolgens de kale grindvlakte betrad waarin zijn school was gelegen. Hij droeg een witverbleekte jas met leren knopen en slordige epauletten. Zijn blik was dan reeds waaks, met achterdocht en lichte walging en zijn mond had een ongemakkelijke grijns. Zodra hij iets gewaar werd dat hem niet aanstond, schalde zijn barse stem theatraal over het plein en de Denekamperstraat:
“Hé, die raaare jongen daaaarrrrr! Laaaat die daar weggaaaaaan!” En in het onwaarschijn-lijke geval dat de “rare jongen” hem niet gehoord mocht hebben, informeerde hij belangstellend of deze misschien “stront in zijn oren” had.

Het leek de opkomst van een heldentenor. Zijn voetstappen knerpten wanneer hij zijn kistjes met opgekrulde tenen resoluut in het losse grind plantte. Zijn hoge zwarte rijgschoenen waren, hoewel steeds onberispelijk gepoetst, menig keer verzoold en op vele plaatsen opgelapt met kleine stukken zwart leer. Want het waren magere tijden zo vlak na de oorlog. Niettemin zaten in de zool vaak gaten. Ik heb dat allemaal in de zesde klas van dichtbij kunnen waarnemen, wanneer meester Vogelzang tijdens de les het zich gemakkelijk maakte en zijn benen op een schoolbank of zelfs op de lessenaar legde. Hij was namelijk geen man van veel burgerlijke vormelijkheid, althans niet op zijn school.

Buiten zijn schooldomein was meester Vogelzang een andere man. De ongevaarlijke bullebak leek plotseling onzeker geworden. Bijvoorbeeld bij zijn regelmatige bezoeken aan de pastorie, of wanneer hij met zijn kleine, parmantige vrouw ter kerke wandelde. Hij leidde haar zorgzaam aan zijn arm, maar in zijn zware Friese kop waren zijn ogen argwanend toegeknepen alsof hij verlegen was of gegeneerd, als hij ons langs de straat zag staan. Hij leek zelfs te blozen! En bovendien: hij droeg dan soms een hoed, een verfomfaaide hoed scheef op zijn hoofd. Het maakte hem in mijn ogen een volslagen andere man. Zijn anders zo vanzelfsprekende autoriteit was er opeens niet meer.

Vóór we bij het begin van de lessen de school binnen mochten, werd er eerst een soort appèl gehouden. Men telde dan wel niet de koppen, maar elke klas moest zich netjes bij een van de schooldeuren opstellen in rijen van twee. Hier kregen de leerkrachten de eerste kans om, desnoods met een “striekerd” (een milde draai om de oren, bedoeld om de aandacht van Het Kind te trekken, thans echter beschouwd als psychisch traumatiserend en daarom verboden) wat rust in de groep te brengen, hetgeen waarschijnlijk ook de enige bedoeling was van die hele parade.
In de gang waren er haken langs de wanden om je jas aan op te hangen. Daaronder stonden houten rekken, kasten van twee etages voor de klompen. Want kort na de oorlog werden die nog veel gedragen, vooral door de jongens van buitenaf. Daarop kwamen ze menigmaal te voet naar school, want ook een fiets was toen nog niet vanzelfsprekend. Zo herinner ik me dat op koude wintermorgens de jongens uit de Postelhoek in gesloten gelid en in looppas naar school kwamen. Van verre kon je hun klompjes horen kletsen als ze Oud Ootmarsum naderden.

Overigens waren klompen perfect voor wie, zoals wij, in het speelkwartier gingen voetballen op het zwarte modderveldje achter het schoolplein. De bal was gemaakt van een samengeperste prop papier met daaromheen een oneindig aantal rood- of zwartrubber ringetjes, die we uit een binnenband van een fiets hadden geknipt: oorlogseconomie. Later voetbalden we met een echte bal: een tennisbal! Op klompen lopen spaarde niet alleen de kostbare schoenen, je kon er ook veel harder mee trappen - en vooral uitdelen! Vraag dat maar aan Bertus “Bartje” W.

We voetbalden natuurlijk niet in elftallen maar in groepen, zodat iedereen mee kon doen. En die groepen waren onveranderlijk: “Stad tegen de boeren”. Deze formule had niet alleen een functionele betekenis, er klonk ook reeds een tikkeltje van die zelfingenomenheid en ontactische arrogantie in door die vele jaren later, in een volgend millennium, nog flink wat ergernis en enkele pijnlijke missers zouden opleveren… Maar allez, “de boeren” gingen er blijkbaar niet onder gebukt, want eens inviteerden zij ons hoffelijk om op een mooie zondagmiddag in Oud Ootmarsum tegen hen te komen voetballen. Ze hadden zelfs voor snoepjes en drinkwater gezorgd.

Later in de zesde klas toen schoenen meer algemeen werden gedragen, maakten wij er trouwens een sport van om zo veel mogelijk zand en modder mee naar binnen te dragen. Op de voetensteun van de schoolbank schraapten we dan onze voeten af. Zo ontstond er in de loop der weken soms een flink zandheuveltje op de kale planken vloer, want de R.K. Jongensschool werd zelden schoongemaakt.

De tweede klas en de eerste indruk


Een oudere meester die ons korte tijd onderwees (en toen uit Ootmarsum vertrok), stelde meteen orde op zaken.“Let op jongens” zei hij. “Als in deze klas iemand stout geweest is, zoals deze jongen hier, dan komt de stok vanzelf naar mij toe.” - Een stok werd gebruikt om aan te wijzen en te tuchtigen. Beide gebeurden met het dunne einde. De stok was een krachtig pedagogisch instrument in die jaren.- Wij waren plots één en al aandacht. Hoe kon zoiets nou? Een stok kon toch niet…. Maar de “stoute” jongen was een zittenblijver, die zogezegd het klappen van de zweep al kende. Verveeld en zuchtend kwam hij uit de bank, bracht de stok naar de meester, die hem vervolgens daarmee een flink pak voor zijn broek gaf - Over trauma’s gesproken.

Gelukkig werd de man weldra vervangen door een jongere en vooral plezieriger vakbroeder, die bovendien uit Ootmarsum kwam: meester Gustaaf Klaas, bekend en populair, want hij maakte de opstelling van de KOSC-elftallen en leek in onze ogen zelfs de hele club te runnen. Hij was een jaar of 27 in die tijd. Bij hem in de klas was de sfeer aanmerkelijk luchtiger. Zo gooide hij wel eens (maar niet te onwijs) een liniaaltje of een bordenwisser naar de kopjes van jongetjes die niet bij de les waren. Er was nog geen kindertelefoon, geen Arbo-wet, geen Meldpunt Discriminatie en bovendien: wij vonden het prachtig. Paultje, een klein parmantig mannetje in onze klas, leefde zo enthousiast mee, dat hij gierend van de lach de borstel teruggooide naar het hoofd van de meester. Ja, dat waren mooie dagen.

De school van Meester Vogelzang was onvoorstelbaar vuil. Dat begon al bij de hoofdingang van het fraaie gebouw, dat in die tijd nog geen 20 jaar oud was. Op de pilasters ter weerzijden van het portiek was al van verre op het metselwerk een grote witte vlek zichtbaar. Daar werden de “borstels”, de bordenwissers uitgeklopt. Niemand die er blijkbaar problemen mee had. De urinoirs, ach dat ging nog. Ze hadden een gezonde gele aanslag en ze zaten regelmatig verstopt, zodat in de schoolgang een flinke plas ontstond waar je van de meesters voorzichtig doorheen moest lopen zonder te spatten. Maar verder viel er niets te klagen. Met de grote wc’s lag het echter anders. Ze werden hoofdzakelijk benut door jongens uit Nutter, het Springendal, Lutken Agelo of de Postelhoek die tussen de middag moesten overblijven. Deze toiletten hadden weliswaar een soort spoeling, maar die kon niet door leerlingen bediend worden. Dat was op zich misschien wel verstandig, maar wie dan wel de spoeling moest bedienen, was blijkbaar niet geregeld.

En zo ontstond er van lieverlee een steeds hoger en steeds donkerder wordende hoop, zeg maar: een gemeenschapsproductie, die tenslotte de respectieve toiletpotten tot de rand toe vulde. In de loop der dagen evolueerde de stank mee met het koloriet en voegde zich harmonisch in de algemene schoolatmosfeer. Die stank was onbeschrijfelijk. Ik moet de lezer daarom de details onthouden, hetgeen me uit ‘historiografisch’ oogpunt oprecht spijt. Van de andere onderwijzers heb ik nooit een teken van afkeer of ongenoegen gemerkt. Voor hen was trouwens één toilet gereserveerd. Het was afgesloten en geen der pedagogen leek het ooit te gebruiken. Toch kwam er kort na 1950 wel een apart toilet voor die ene vrouwelijke leerkracht. Meester Vogelzang sprak bij deze gelegenheid plechtstatig van “het boudoir”.
Als hij de juiste tijd gekomen achtte, gaf meester Vogelzang een jongen uit de zesde klas opdracht de zaak in het reine te brengen: het varkentje te wassen. Ik herinner mij een jongen die bijzondere bekwaamheden had in deze. Hij was mager, lenig en snel. Men noemde hem Monkey en hij verrichtte zijn hachelijke taak met een moed en enthousiasme die opmerkelijk waren in het onderwijsveld van die dagen.

De derde klas, 1948 of daaromtrent

Het mudvolle lokaal heeft geen blindering langs de onderkant der ramen, het uitzicht wordt toch al grotendeels belemmerd door de ligusterheg van de hoofdenwoning. Maar op een gure, donkere dag zien wij daar bovenuit de pannen wegvliegen van de asymmetrische dakjes van “het febriek”. Dan brokkelen ook flinke stukken van de hoge bakstenen schoorsteenpijp. De meester zegt dat er niets te zien is en dat we door moeten werken. Wat een treurigheid.

Godsdienst was op de rooms-katholieke Jongensschool met afstand het belangrijkste element van het gehele onderricht, een waarde hors catégorie, zogezegd. Op het rapport prijkte het bovenaan de lijst, vóór Taal en Rekenen, terwijl Gedrag, Vlijt en het mysterieuze Netheid de rij sloten. Voor Godsdienst kreeg je een rapportcijfer. Dat “punt” kwam tot stand tijdens het opzeggen van de catechismus. De voornaamste geloofswaarheden en regels waren samengevat in zo’n kleine honderd vragen en antwoorden. Die vragen moest je vervolgens zonder mankeren en liefst zonder nadenken beantwoorden, letterlijk wel te verstaan! Jaren later werd ik door een parochieherder nog eens krachtig op de vingers getikt toen ik als jong onderwijzertje mij verbeeldde dat een inhoudelijk juist antwoord ook prima was. “Nikstervan” dus.

Er werd tijdens de schooluren royaal tijd gereserveerd voor kerkbezoek, voorbereiding op de Eerste en de Plechtige Communie, de schoolbiecht, de godsdienstlessen van de kapelaan, de catechismusles dus en de vrome liedjes die we leerden. Het had allemaal van doen met onze godsdienstige vorming, zoals men die toen zag althans. Godsdienst ging vóór alles en was geen thema dat zich leende voor discussie of zelfs maar gedachtewisseling. Tja, het had misschien wel iets Taliban-achtigs, achteraf bezien.

Deze onkritische houding was ons jongetjes blijkbaar niet ontgaan. Want wanneer we als misdienaartjes onder schooltijd in de kerk moesten zijn voor bijvoorbeeld een uitvaart of een huwelijksmis, of voor de urenlange liturgieën van de paastijd, dan bleef je zonder bericht weg van school. Dat kon. Een geliefde bezigheid voor schooljongens was daarom het "dienen" bij uitvaarplechtigheden. Je had daarbij veel te doen, het was niet de wekelijkse routine. Maar bovenal was het van belang dat die begrafenissen steeds onder schooltijd plaatsvonden. En als het een beetje meezat en je flink treuzelde waar dat mogelijk was (op weg naar het kerkhof donderjagen met het wijwater en de zware emmer, het “wijwatervat” weer bijvullen uit de beek bij het Molenhuisje,of proberen bij Grada Möshoes een pannenkoek mee te eten: “Jongs, goat noe mer rap noar ’t karkhof; a’j weerkomt heb ik de pannekook kloar”), wilde het wel eens voorkomen dat je pas tegen half twaalf weer op school verscheen. De meester stelde als gezegd geen vragen, want de Kerk en Hare Aangelegenheden waren ook maatschappelijk en sociaal zozeer boven elke discussie verheven, dat een eenvoudige schoolmeester het niet in zijn kop zou halen om eens even na te vragen waar we hadden uitgehangen, ook al voelde hij onder zijn veelvuldig opgelapte schoenen dat hij in naam van het Hogere “bij den bok” werd gedaan.

De vierde klas

De klas van Meester Frans Verhulst, de lange slungelige en broodmagere man uit Oosterhout, die het vaak zo koud leek te hebben. Wat had hem naar het verre Oosten gevoerd? Hij was een degelijke schoolmeester van de oude stempel. Hij leerde ons zonder verdere franje de topografie van Nederland opdreunen (Groningen, Zuidhorn, Grijpskerk, Zoutkamp) evenals de tafels van 1 tot 10 en de grote catechismus (snappen was niet nodig), en verder de voornaamste spellingsregels. Iedere week kalligrafeerde hij een spreuk op het bord: “Wat gij niet wilt, dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet”, die wij uitentreuren moesten kopiëren om een fraai handschrift te verwerven.

Dat hij zijn lokaal nr. 3 moest delen met de derde klas waar Henk Bolscher uit Vasse les gaf, deerde hem geen moment, want hij mocht die jongeman blijkbaar wel. Ze wisselden in het propvolle lokaal hun mondelinge lessen collegiaal af, maakten een gemoedelijk praatje als beide klassen aan het werk waren gezet en draaiden sigaretten van elkanders shag. En zaterdags gaf meester Verhulst zangles aan de hele club. Dan beval hij stilte, tikte met zijn stemvork en luisterde, tikte nog eens en luisterde opnieuw: Mmmmmmmm????………Jaaa-nemanneke!!!
En braaf zongen wij het vrolijke lied van Jannemanneke die een danske deed met klein Franske totdat zijn klompkes allebei stuk waren. Of we zongen, op een prachtige melodie, het vrome meilied van de “veldkapel” waar het “wemelde van blonde kleinen”:
                   “Maria hoort terwijl de sterren glanzen
                    De naklank van de laatste rozenkransen.”


Van een ander meilied was de dubbelzinnige en zeer aardse middeleeuwse tekst vervangen door iets vroom hedendaags dat weliswaar onbegrijpelijk was, maar vroomheid heeft ook niets met snappen uit te staan: “De winter is vergangen, ik zie des meien schijn…”, zongen onze brave stemmetjes. Diezelfde meester Verhulst met zijn onversneden Brabants accent (“Ach menneke, zidde-gij alweer te simmen?”) was evengoed gek van sport. Als wij voetbalden en het tennisballetje kwam in zijn buurt, dan greep hij het, zwaaide zijn wankele, breekbare stelten en lelde het ding huizenhoog de lucht in, vergenoegd grijnzend naar zijn collega’s: Hoe vond je dat? In zijn laatste jaren op de Jongensschool bemoeide hij zich steeds intensiever met de Tourprognoses van de Twentsche Courant en wel zodanig dat de jaarlijkse hoofdprijs alleen nog maar in Ootmarsum viel. Nog jaren na zijn pensionering herinnerde hij zich die stunt met duivels genoegen.

Meester Vogelzang heeft een dubbelhoge blindering voor de grote ramen van zijn klas. Nu staat hij voor het raam en kijkt er overheen om te zien of de kapelaan al in aantocht is, die godsdienstles zal geven, want met dit vak houdt de meester zelf zich niet bezig. Hij heeft ons laten opruimen en in het gelid gezet. Met plechtig galmende stem doet hij verslag van hetgeen wij niet kunnen zien, maar hij wel. Het wordt zelfs spannend: “Jaaa…Daar komt hij aaaan, de kapel-haaaan…Jaaaa!…… Nee! Het is Batsboer!” - Een aardigheidje.

Zo kon hij ook plotseling gepikeerd de klas verlaten en het belendende kantoor in duiken. Het stoffige kamertje werd nauwelijks gebruikt, maar had wel het mooiste uitzicht van de school. Het panorama werd beperkt door de hoge stapel takkenbossen van bakker Brandehof, maar je keek toch ook op Oud Ootmarsum, Stoavermans Dieks, de Rietboer in de verte en andere hoeven in het hoge Nutter, en de huizen op het Hondenloa. Het vertrek werd hoofdzakelijk gebruikt door ambulante medici: inenters, schoolartsen en tandartsen, mantoux-krassers. Maar nu dook meester Vogelzang erin, zette zich achter het harmonium en speelde de ballade van de school die een apenkast is, met de grootste aap die voor de klas staat.

Bij al deze ongein werd niet gelachen. Integendeel, want toen hij tijdens een van zijn toeren achterover van zijn lessenaar flikkerde en met stoel en al tegen het bord en op de planken vloer belandde, was er in de geschrokken klas slechts één sufferd die hardop lachte. Jawel: ondergetekende. Pas toen de vuurrode kop van de meester weer boven de lessenaar verscheen, wist ik dat er inderdaad niets te lachen viel. Hij schold mij verrot: “Vuile farizeeër, huichelaar!” Tja, hij was ook erg geschrokken.

Winter. De onderwijzers lopen keuvelend op en neer op het tegelpad tussen het schoolhek en de hoofdingang. Wij knikkeren. Met spuug en modder hebben we tegen de banden van het pad een zwaluwnestje gemaakt, waarop onze kostbare glazen “kees” ligt. Daarachter ligt de eigenaar te blauwbekken op het koude grind. Wie waagt er zijn lemen knikkers aan? (te koop bij Avéres) Over de sneeuw van de Denekamperstraat rijdt de “Oale Kes” zijn melkbussen uit Hezingen naar de melkfabriek. Hij draagt een zwarte bivakmuts, daarover een pet en een druppel onder zijn neus. Hij lijkt een bevroren mummie. Een van zijn klompen heeft hij in het achterwerk van zijn paard geplant. Zo kan hij remmen.

Een merkwaardige, maar beslist aardige gewoonte was de manier waarop meester Vogelzang zijn pupillen aansprak. Dat was in de regel niet bij hun naam en al helemaal niet bij hun voornaam. Dit laatste was in die tijd trouwens ook niet gebruikelijk in het onderwijs. Meester Vogelzang had voor elke leerling een aparte naam geprepareerd. In veel gevallen sprak hij daartoe de achternaam achterstevoren uit. Dat leverde soms leuke verrassingen op. Wacht dacht u van namen die klonken als Knidreeg, Knissee, Siukeorp en vooral Tamekip? Maar de mooiste vondst deed niet Vogelzang, maar de Postelhoekse jongen wiens naam werd omgekeerd tot iets dat klonk als ’t Ful (Twents voor het veulen). Hij bedacht zich geen ogenblik en wierp de meester een prachtige, Russisch klinkende naam naar het hoofd: Gnaslegov. Het kon allemaal in alle gemoedelijkheid. Meester Vogelzang was geen man die hechtte aan omgangsvormen. We zaten in de klas met de pet op en tijdens het werk aten wij een gezond appeltje. De meester verwachtte wel dat je de klokhuizen netjes naar de “prullenbak” bracht. Vinger opsteken was daarvoor niet nodig.

Zomer 1949

We komen in de 5e klas. We zijn een van de laatste jaargangen die hier nog van Bali, Lombok en Soembawa zullen leren, evenals van de Sierra Morena. Het is de klas van meester Spee: een tamelijk bedachtzame en nogal afstandelijke man, die soms een wat vermoeide indruk maakte. Ik meende toen dat het een ongeneeslijk gevolg was van zijn dienstjaren in de tropen, dat hij nog wat na-zweette, zogezegd. ’s Morgens als de lessen begonnen zette hij zich zuchtend op zijn lessenaar, deed zijn stropdas af alsof hij zich van de galg bevrijdde en opende het bovenste knoopje van zijn overhemd. Intussen was Henk Weustink een glas water gaan halen voor de meester. Henk deed daar zeer lang over, maar als hij dan ook eenmaal weer terug kwam was het glas zo vol, dat hij, om niet te morsen, voorzichtig schuifelend de lessenaar naderde.

Het pleit nog altijd voor meester Spee dat hij ook van ons niet het uiterste vergde. Na elk stukje rekenen of taal diepte hij uit zijn katheder een voorleesboek op en las een hoofdstukje voor uit “Van roodhuiden, beren en wolven” of (absolute kraker!) uit “De houthakker van het Zwarte Woud”, over de Russische veldtocht van Napoleon. Jawel, meester Louis Spee was een oude rot in het vak. Hij wist hoe hij zijn onderwijsmenu smakelijk aan de man moest brengen.

Later dat schooljaar verscheen er een grote, donkere en vooral knappe man voor de klas. Hij kwam uit Borne en was een begenadigd en stijlvol onderwijzer. Hij presteerde het om met ons Bach te zingen: “O Hoofd vol bloed en wonden”. Eens vroeg hij langs zijn neus weg hoe het zat met de Sinterklaasviering. En of we dan tenminste nog een schoolreisje hadden. Ook niet?
“Wat een rare school”, hoorde ik hem mompelen. Kort daarop was hij weer weg uit Ootmarsum.

Het onderricht in de klas van meester Vogelzang was onorthodox en lawaaiig. Een oud-onderwijsman was onlangs kort in zijn oordeel: een waardeloze onderwijzer. Maar dat staat nog te bezien. De meester beperkte zich tot die vakken die hij nuttig achtte. Een vak als tekenen hoorde daar niet bij, evenmin als “kennis der natuur” of “natuurlijke historie” (biologie) voorzover ik me herinner. En hoewel hij jarenlang dirigent was van het kerkkoor van de Simon en Judasparochie heeft hij ons niet één zangles gegeven. Ik heb hem zelfs nooit horen zingen. De gymlessen waren kennelijk verplicht. Die vonden dus wel plaats, maar Vogelzang liet ze geven door de trouwe collega Verhulst, want die hield immers zo van sport, - hij niet. En zo bleven over de schoolvakken lezen, taal en rekenen. Hierin kregen we het volle pond en zelfs meer dan dat. De jongetjes die naar het vervolgonderwijs wilden, moesten ’s middags nablijven tot 5 uur, gratis bijles, vier dagen per week. Ze kregen pakken huiswerk mee.

De dag ving onveranderlijk aan met rekenen en elke dag werden er massa’s opgaven afgewerkt. Dat ging tot en met het kwadraat, de grootste gemene deler (GGD) en het kleinst gemene veelvoud. Meester Vogelzang bemoeide zich er niet te veel mee. Hij geloofde in uitputtende en langdurige training. Daarom zette hij soms ter afsluiting van zijn les een zeer uitvoerige rekenopdracht op het bord, vol teksthaken, haken en haakjes, en met legio vermenigvuldigingen, delingen, optellingen en aftrekkingen, waarmee wij jongetjes een mooie tijd zoet waren en die onveranderlijk een simpel getal opleverde. Zelf loste hij de moeilijkste sommen uit het hoofd op, want hij was een uitstekend rekenaar. En als hij een fout maakte werd hij meestal wel gecorrigeerd door Henk Elferink, die daarom de eretitel “proffie” kreeg. Wie zijn sommen af had, ging naar huis of kon gaan lezen. Er was in het kantoor een kast vol goede en gevarieerde lectuur. Daar mocht je ongevraagd uit lenen. Je mocht lezen zoveel je wilde, als je sommen maar af waren..

Met taal was het al niet anders. We moesten hoofdzakelijk leren spellen, ontleden en woorden benoemen. Dat gebeurde kennelijk zo grondig, realiseer ik me achteraf, dat ik dertig jaar later bij mijn taalkundestudie weliswaar een massa nieuws leerde, maar op het gebied van woordsoorten en syntaxis vrijwel geen zaken ben tegengekomen, waarvan het principe er al niet bij meester Vogelzang was ingehengst. Alsnog applaus dus voor die man.

Voorjaar 1951

Onze jaargang zal de school verlaten. Meester Vogelzang schrijft de eindrapporten en wij zitten in spanning te wachten tot er weer een naam genoemd wordt, hopend dat het de onze is. Dan staat de gelukkige op, gaat verlegen lachend naar voren, zoals schooljongens dat doen. Meester Vogelzang overhandigt het rapport en voegt er meestal nog een opmerking aan toe, een wens of een aansporing.
Zo komt ook Karel uit de Postelhoek aan de beurt. Hij ontvangt zijn rapport, groet waarschijnlijk de meester met een kwinkslag en stapt het lokaal uit. Maar dan werpt de meester hem nog achterna:
                 “Laat je vader je voor de ploeg spannen!”
Karel, die nog nooit om een woord verlegen heeft gezeten, verstijft, draait zich om. Zijn ogen schieten vuur en hij geeft ook nu het enig juiste antwoord:
                 “En loat ze oe veur de stötkoar doon!”

Reacties

afbeelding van Jasper
Wat een geweldig mooi stuk! Ik heb er echt van genoten. In geen enkel opzicht las ik daarin mijn oude Scheepersschool terug, waarop ik tot mijn 10e les heb gekregen waarna de school op ging in de Meander. Toch was het een fijn weerzien met een plek die me erg dierbaar is.